De manier waarop spaargeld en aandelenbezit van particulieren de afgelopen jaren in Nederland zijn belast, deugt niet. Dat bepaalde de Hoge Raad eind vorig jaar. Tienduizenden Nederlanders betaalden te veel belasting en moeten daarom worden gecompenseerd. Het kabinet kwam vrijdag met enkele oplossingen, maar elke variant kost vele miljarden. Wat is er aan de hand?

Aan het begin van deze eeuw kwam de toenmalige regering met de zogeheten vermogensrendementsheffing, ook wel spaartaks genoemd. Dit was een opvolger van de vermogensbelasting. De nieuwe regels betekenden dat je belasting moest betalen over het rendement dat je behaalde met je vermogen. Bijvoorbeeld over de rente over je spaargeld of de koerswinst als je in aandelen had belegd.

Volgens het kabinet was het te moeilijk om het werkelijke rendement vast te stellen voor iedereen. Daar werd een oplossing voor bedacht: een verondersteld rendement, dat werd bepaald op 4 procent. Het betekende dat de Belastingdienst niet keek naar hoeveel rente je ontving of hoeveel koerswinst of -verlies je had behaald, maar ervan uitging dat je 4 procent rijker was geworden. En daarvan moest je 30 procent afdragen aan de Belastingdienst.

Stel, je hebt 100.000 euro aan geld of beleggingen. De Belastingdienst gaat ervan uit dat je daar 4 procent rendement op pakt, ofwel 4.000 euro. Daarover moet je 30 procent belasting betalen, wat neerkomt op 1.200 euro. Als je in werkelijkheid geen 4 procent maar bijvoorbeeld 6 procent rendement had behaald, had je geluk. Had je minder dan die 4 procent, dan had je pech.

Irritatie bij Nederlanders over nieuwe regels

In 2017 werden de regels aangepast. De Belastingdienst doet sinds dat jaar aannames over welk deel van je vermogen je belegt en welk deel je op een spaarrekening zet. Daarbij gaat de dienst ervan uit dat je met beleggen meer rendement haalt dan met sparen.

De nieuwe regels leidden tot irritatie bij veel vermogende Nederlanders. De Belastingdienst sloeg hen in veel gevallen aan voor een hoger rendement dan ze daadwerkelijk hadden behaald. Daardoor moesten ze meer belasting betalen. Bovendien vonden ze het niet prettig dat de Belastingdienst hen min of meer dwong een groot deel van hun vermogen te beleggen, wat risicovoller is dan sparen.

Hoge Raad maakt gehakt van beleid

Tienduizenden van hen maakten bezwaar tegen de belastingaanslag die ze hadden gekregen. Ook stapte een deel van hen naar de rechter. Eind vorig jaar deed de hoogste juridische instantie, de Hoge Raad, uitspraak. De belastingbetalers kregen gelijk.

De Hoge Raad vindt dat het niet aan de Belastingdienst of aan de politiek is om te bepalen hoe iemand met zijn vermogen omgaat. Daarnaast vindt de rechter het niet eerlijk dat iemand die voor de verkeerde beleggingen heeft gekozen en dus minder rendement behaalt, verhoudingsgewijs meer belasting moet betalen dan iemand die meer geluk had bij zijn beleggingen. Het kabinet moet daarom de Nederlanders compenseren die de afgelopen jaren terecht bezwaar hebben gemaakt.

Uitspraak bezorgt nieuw kabinet hoofdpijn

De politiek zit met de kwestie in haar maag. Verantwoordelijk staatssecretaris Marnix van Rij (Belastingdienst) bracht vrijdag enkele mogelijke oplossingen naar buiten, maar alle varianten zullen het kabinet vele miljarden kosten. Daarnaast is het onduidelijk of alleen de bezwaarmakers compensatie krijgen of iedereen die door de regeling te veel belasting heeft betaald. Ook is niet helder wie moet opdraaien voor de kosten.

Linkse oppositiepartijen hebben eerder al gezegd dat wat hen betreft de extra uitgaven op het bordje van de vermogenden zelf moeten komen. Dat zou kunnen door de belasting op vermogen te verhogen. Ook regeringspartij D66 zei dat vermogenden de kosten zelf moeten ophoesten. VVD vond het nog te vroeg om te bepalen wie straks de rekening moet betalen.