Nederland voerde afgelopen jaar voor 104,7 miljard euro aan landbouwgoederen uit. Het was voor het eerst ooit dat dit bedrag boven de 100 miljard uitkwam. Dat blijkt vrijdag uit cijfers van het CBS en Wageningen University & Research (WUR). Vooral van de Nederlandse sierteelt en vlees kreeg het buitenland geen genoeg.

De 104,7 miljard euro is 9 procent meer dan het jaar ervoor. De stijging komt zowel door een toename van het aantal uitgevoerde goederen als door hogere prijzen. Ongeveer drie kwart van de geëxporteerde producten is in Nederland gemaakt. De overige goederen kwamen uit het buitenland en gingen via Nederland weer naar een ander land. Dit heet wederuitvoer.

Het populairst is de sierteelt, zoals bloemen en planten. Daarna komen respectievelijk vlees, zuivel, eieren, groenten en fruit.

Ongeveer een kwart van de landbouwexport gaat naar Duitsland. Daarmee is het veruit de belangrijkste afzetmarkt. België bezet op ruime afstand (12 procent) de twee plaats. Nummer drie is Frankrijk, dat het Verenigd Koninkrijk van de derde plek heeft gestoten.

De Brexit heeft daarin een belangrijke rol gespeeld. Van oudsher gaan veel landbouwproducten van buiten de Europese Unie eerst naar Nederland, om van daaruit naar het VK te worden verscheept. Maar sinds de Brexit wordt die Nederlandse tussenstap nogal eens overgeslagen, waardoor de wederuitvoer naar de Britten met 35 procent daalde.

Agrarische goederen van Nederlandse makelij waren overigens nog wél populair aan de andere kant van de Noordzee. De export daarvan steeg met 14 procent. De verwachting is dat deze export gaat dalen, omdat er vanaf dit jaar controles plaatsvinden op landbouwproducten die van Nederland naar het VK gaan.