De stijgende inflatie waar Nederland momenteel mee te maken heeft, komt voor een groot deel bij goederen vandaan die de inflatie voorheen juist beperkten, schrijft De Nederlandsche Bank (DNB) vrijdag in een bericht. DNB doelt daarmee op grondstoffen als olie, maar ook halffabricaten als halfgeleiders.

De inflatie steeg vorige maand naar 3,4 procent, volgens het CBS de sterkste inflatie in ons land sinds april 2002. Dat de wereldwijde vraag naar grondstoffen en halffabricaten groot is terwijl het aanbod juist beperkt is, verklaart de stijgende prijzen. Dat beperkte aanbod wordt mede veroorzaakt door problemen in de toeleveringsketen.

Volgens de centrale bank zorgden deze "verhandelbare goederen" als grondstoffen en halffabricaten er voorheen juist voor dat de inflatie beperkt bleef. "Goederen met een hoge importintensiteit en goederen die van buiten de EU komen, droegen tussen 2006 en 2020 juist bij aan een lager inflatieniveau", aldus DNB. De prijzen van deze goederen stijgen nu juist het hardst.

Die prijsstijgingen raken in eerste instantie producenten, die de hogere kosten vervolgens door kunnen rekenen aan consumenten. Zo meldde meubelgigant IKEA woensdag de prijzen volgend jaar iets te verhogen en maakten grote levensmiddelenfabrikanten eerder ook bekend de kostenverhogingen door te rekenen aan consumenten.

DNB benadrukt dat die producentenprijzen volatiel zijn en dus ook weer snel kunnen dalen. "Wanneer de vraag naar goederen normaliseert en verder verschuift naar diensten, meer containers beschikbaar komen en nieuwe chipfabrieken zijn gebouwd, is het ook waarschijnlijk dat de druk op inflatie afneemt of prijzen zelfs gaan dalen", aldus de centrale bank. Hoelang deze transitieperiode zal duren, is volgens DNB nog onduidelijk.