Het verschil in eigen vermogen tussen woningbezitters en huurders is de afgelopen jaren flink gegroeid. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) meldt dinsdag dat het vermogen van huizenbezitters - hun woning niet meegerekend - inmiddels veertien keer zo groot is als dat van mensen in een huurwoning.

Het doorsnee vermogen van huishoudens met een koopwoning bedroeg vorig jaar 36.300 euro, tegen 2.600 euro voor huurders. Een derde van de huizenbezitters heeft naast de woning ook nog andere niet-financiële bezittingen, zoals bedrijfsvermogen en overig onroerend goed. Huurders hebben bijna altijd alleen financieel bezit zoals spaargeld.

Zo'n 35 procent van de huurders heeft schulden. Daar zit tussen huiseigenaren en huurders niet veel verschil in. Wel hebben huurders ongeveer twee keer zo vaak een studieschuld. Dat is ook logisch, omdat jongeren vaker huren. Daarnaast is het lastiger om een hypotheek te krijgen als je een hoge studieschuld hebt.

Het vermogen van huurders is sinds 2013 vrijwel gelijk gebleven. Huizenbezitters zagen hun vermogen in die periode met zo'n 40 procent (10.500 euro) groeien, nog afgezien dus van de gestegen waarde van hun woning.

Bijna 60 procent van de huishoudens met een huurwoning (zo'n twee miljoen) heeft een vermogen van maximaal 5.000 euro. Onder de huishoudens met een eigen woning had 18 procent een vermogen van die omvang.

Van de huurders bezit 5 procent 100.000 euro of meer. Die groep is onder huizenbezitters ruim vijf keer zo groot (27 procent).