Wie vorige maand een huis kocht, moest daar gemiddeld 402.308 euro voor neertellen. Dat is 17,8 procent meer dan een jaar eerder, blijkt woensdag uit nieuwe cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Het is daarmee de sterkste stijging van de huizenprijzen sinds september 2000, toen de gemiddelde prijs van een koopwoning in een jaar tijd met 17,9 procent was toegenomen.

"We denken steeds dat het hoogtepunt is bereikt en dat de prijzen niet verder omhoog kunnen, maar dat gebeurt dan toch weer", zegt hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen van het CBS. Rond de eeuwwisseling werd de sterkste stijging van de huizenprijzen gemeten in februari 2000, het ging toen om 20,1 procent.

"We zitten daar nu niet heel ver meer vanaf." Volgens Van Mulligen liep de stijging van de huizenprijzen vanaf april 1996 tot en met september 2001 met dubbele cijfers op. "Dat is een periode van ruim 5,5 jaar. Nu gebeurt dat 'pas' sinds februari van dit jaar. Maar je wil nu geen starter op de woningmarkt zijn."

Het aantal huizen dat van eigenaar verwisselt, neemt juist af. Volgens het Kadaster waren het er vorige maand iets meer dan 17.250, oftewel 9 procent minder dan een jaar eerder. Tot nu toe zijn in 2021 wel meer huizen verkocht dan in dezelfde periode vorig jaar: ruim 155.700. Dat komt neer op een toename van iets meer dan 5 procent.

Waarom hetzelfde huis in Amsterdam veel duurder is dan in Groningen
227
Waarom hetzelfde huis in Amsterdam veel duurder is dan in Groningen