De koopkracht stijgt het komende jaar gemiddeld met 0,1 procent, volgens de ramingen van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dat betekent dus dat we met ons inkomen 0,1 procent meer kunnen kopen in de winkel. Door het sterke economisch herstel gaan onze lonen omhoog, maar omdat tegelijkertijd de prijzen ook stijgen blijft de koopkracht onderaan de streep ongeveer gelijk.

We horen de laatste tijd allerlei hoeraberichten over de economie. Zo rekent De Nederlandsche Bank (DNB) op een economische groei van 3 procent in het komende jaar. De verwachting is dat we die ook in onze portefeuille gaan voelen.

En dat doen we ook. De cao-lonen zullen in 2022 met 2,2 procent stijgen, maar tegelijkertijd wordt het leven 1,8 procent duurder. Doordat we sinds het einde van de lockdowns plots veel meer geld zijn gaan uitgeven, stijgt de inflatie fors. Dat leidt ertoe dat de reële loonstijging uitkomt op 0,4 procent en dat de gemiddelde koopkracht er met 0,1 procent op vooruitgaat.

Externe factoren zijn onzeker

Desalniettemin moeten we niet te veel rekening houden met die gemiddelden. Ieders situatie is namelijk anders en het hangt ook heel erg af van externe factoren. Wie bijvoorbeeld zijn werk verliest en terugvalt op een uitkering, heeft ook meteen veel minder te besteden. Wie de loterij wint daarentegen, heeft plots veel meer te besteden.

Bovendien gaan de experts van het ministerie in deze berekeningen uit van de cao-lonen. Het is ook goed mogelijk dat iemand los van zijn cao een beter salaris krijgt, doordat hij een nieuwe functie of een nieuwe baan heeft. En nu de werkloosheid zo laag is, moeten werkgevers allerlei manieren vinden om personeel aan te trekken, wat naar verwachting tot een nog hogere loonstijging zal leiden.

Compenserende maatregelen voor specifieke groepen

Ten slotte heeft ook beleid een grote invloed op onze koopkracht. Zo wordt onder meer het tarief in de eerste belastingschijf verlaagd, gaan er een aantal heffingskortingen omhoog en wordt de kinderbijslag niet geïndexeerd.

Dat raakt een aantal specifieke groepen. Het demissionaire kabinet neemt ook wel compenserende maatregelen, maar die verlichten de koopkrachtdaling alleen maar in plaats van dat ze die helemaal tenietdoet. Die maatregelen zouden in totaal zo'n 220 miljoen euro kosten.

De groep die er volgens de gemiddelden het meest op vooruit gaat, zijn uitkeringsgerechtigden: met 0,2 procent. Alleenverdieners gaan er als enigen 0,1 procent op achteruit. Als we specifieker kijken, winnen alleenstaande ouders met een minimumloon het meest (0,5 procent) en gaan alleenstaande ouders met een modaal inkomen er het meest op achteruit (0,8 procent).