De koopkracht, een indicator van hoeveel we met ons inkomen kunnen kopen, steeg vorig jaar met 2,2 procent. Dat is de grootste groei sinds 2016, blijkt woensdag uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Dankzij loonsverhogingen groeide de koopkracht van werknemers met 4,3 procent het sterkst.

Externe factoren als lonen, prijsstijgingen en overheidsbeleid hebben invloed op de koopkracht. Ook persoonlijke omstandigheden, zoals samenwonen, uit elkaar gaan of van baan wisselen, hebben impact op hoeveel we kunnen kopen.

Vorig jaar hadden externe factoren de meeste invloed op de koopkracht. De cao-lonen stegen in 2020 ondanks de coronacrisis met 2,9 procent. Dat komt doordat veel loonafspraken al voor de pandemie waren gemaakt en voor heel 2020 golden. Tegelijkertijd bedroeg de inflatie - de mate waarin het leven duurder wordt - 1,3 procent.

Het overheidsbeleid droeg naar schatting 1 procentpunt bij aan de koopkrachtstijging. Dat kwam door een aantal geplande fiscale maatregelen, waaronder de invoering van een tweeschijvenstelsel in de inkomstenbelasting.

Persoonlijke omstandigheden hadden echter een licht drukkend effect op de koopkrachtontwikkeling in 2020. Het gaat daarbij om een afname van 0,3 procentpunt.

Er waren nog steeds mensen die een nieuwe baan vonden of promotie maakten, maar ook heel wat personen raakten werkloos of verdienden minder door bedrijfssluitingen. De coronasteunmaatregelen konden die negatieve impact echter verkleinen.

Vooral dankzij de loonsverhogingen steeg de koopkracht van werknemers met 4,3 procent het sterkst. De meeste zelfstandige ondernemers zagen hun koopkracht vorig jaar toenemen, maar door bedrijfssluitingen ging 40 procent van de zelfstandigen er financieel wel op achteruit. Gemiddeld konden zelfstandigen 1,1 procent meer kopen met het geld dat ze binnenkregen.