Tien Hongaarse chauffeurs die voor een transportbedrijf uit Erp werkten, hadden recht op hetzelfde loon als hun Nederlandse collega's. Dat heeft het gerechtshof in Leeuwarden bepaald. De uitspraak is belangrijk voor de hele transportsector en kan invloed hebben op de manier waarop de sector omgaat met buitenlandse chauffeurs.

De zaak sleept al sinds 2014. Vakbond FNV spande toen een zaak aan omdat de chauffeurs in dienst waren van het zusterbedrijf van transportbedrijf Van den Bosch in Hongarije, waardoor ze daar al hun premies en belastingen afdroegen.

Ook kregen ze een lager loon. Maar omdat de chauffeurs vrijwel al hun ritten in en vanuit Nederland reden, hadden ze recht op het cao-loon, aldus FNV.

Het Hof ging daarin mee, waardoor de chauffeurs recht hebben op hetzelfde loon als hun Nederlandse collega's. Hoeveel het transportbedrijf precies moet nabetalen, moet nog worden vastgesteld. Het kan neerkomen op een bedrag van honderdduizenden euro's.

Van Den Bosch laat weten het arrest nader te zullen bestuderen, maar twijfelt aan de motivering van het gerechtshof. Het Europese Hof besliste namelijk in een eerdere zaak van FNV tegen Van Den Bosch uit 2020 dat de band tussen Nederland en de buitenlandse werkzaamheden van de chauffeurs "onvoldoende nauw" is. "Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hecht in het arrest veel waarde aan de concernrelatie, terwijl dit in de eerdere uitspraak van het Europese Hof niet relevant is gebleken", zegt CEO Rico Daandels in een eerste reactie.