Niet eerder steeg het aandeel van hernieuwbare energie op het totale energieverbruik in Nederland zo hard als vorig jaar. Ruim 11 procent van het Nederlandse energieverbruik was vorig jaar afkomstig uit hernieuwbare bronnen. In 2019 was het aandeel hernieuwbare energie nog 8,8 procent, blijkt maandag uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Al sinds 2010 levert energie die is opgewekt uit hernieuwbare niet-fossiele brandstoffen een steeds grotere bijdrage aan de energievoorziening in Nederland. Sinds 2014 groeit dit aandeel steeds harder en dat bereikte vorig jaar dus een nieuw hoogtepunt.

De jaarlijkse toename van het aandeel hernieuwbare energie in het totale energieverbruik komt doordat er in Nederland steeds meer windmolens en zonnepanelen staan die energie opwekken. Ook het verbruik van energie uit biomassa nam vorig jaar toe, omdat biomassa vaker werd meegestookt in kolencentrales.

Binnen de Europese Unie is overigens vastgelegd dat hernieuwbare energie 14 procent van het Nederlands energieverbruik moest uitmaken in 2020. Daarom is voor 200 miljoen euro aan groene energie uit het buitenland ingekocht.

Het totale verbruik van hernieuwbare energie bedroeg in 2020 219 petajoule, omgerekend zo'n 60,8 miljard kilowattuur (kWh). Dat was een stijging van 19 procent vergeleken met een jaar eerder. Het totale energieverbruik uit alle energiebronnen lag in 2020 met bijna 2.000 petajoule iets lager dan in 2019. Dat heeft met name te maken met de coronacrisis.

De daling van het totale energieverbruik heeft bijgedragen aan de toename van het aandeel hernieuwbare energie. Tijdens de coronacrisis daalde vooral het energieverbruik voor vervoer, en vervoersmiddelen verbruiken relatief minder energie afkomstig uit hernieuwbare bronnen.