BRUSSEL - Ondanks politieke discussies en beloftes is de belastingdruk in de meeste Europese landen momenteel niet lager dan halverwege de jaren negentig. In 2003 ging 40,3 procent van het bruto binnenlands product in het gemiddelde EU-land naar belastingen of sociale premies, terwijl dat in 1995 nog 40,5 procent was.

Dat blijkt uit een grote vergelijkende studie die bureau Eurostat vrijdag heeft gepubliceerd. Eurostat kijkt naar alle verplichte heffingen: niet alleen loonheffing en sociale premies, maar ook btw, vermogensheffing en vennootschapsbelasting.

Nederland zat in 2003 met een belastingdruk van 39,3 procent iets onder het Europees gemiddelde en was ook een van de weinige landen waar de belastingen echt zijn verlaagd. Alleen in Oost-Europese landen is soms zeer fors het mes gezet in de belasting. Zo ging in Slowakije de belastingdruk van 40 naar 30 procent in acht jaar tijd.

In Zweden, Denemarken en België zijn de belastingen het hoogst. In de Baltische landen, Ierland en Slowakije gaat het minst naar de staat.

Eurostat heeft voor het eerst uitgerekend wat de belastingdruk op arbeid is. Opmerkelijk is dat die al jaren schommelt rond 36 procent en nu niet lager is dan in 1995.

De vennootschapsbelasting is wel flink gedaald: van gemiddeld 35 procent in 1995 tot 26,3 procent in 2003. Maar Eurostat-onderzoeker De Laet relativeert dat door te wijzen op de totale inkomsten uit vennootschapsbelasting als percentage van het bbp. "Die zijn heel wat minder spectaculair gedaald. Dat heeft te maken met een bredere belastingbasis", aldus De Laet. Met andere woorden: in de meeste Europese landen ging het percentage omlaag, maar konden bedrijven minder aftrekposten aandragen. In de nieuwe lidstaten, die hun vennootschapsbelasting het stevigst hebben verlaagd, ontving de schatkist juist meer inkomsten van bedrijven. Dat heeft volgens De Laet ook te maken met de toegenomen winstgevendheid van bedrijven in Oost-Europa.