Nu de jaarcijfers van Europese economieën langzaamaan binnensijpelen, wordt het nog eens duidelijk hoe zwaar de economische klap van de coronapandemie is. Het coronaherstelfonds van de Europese Unie moet als een stootkussen dienen om die klap op te vangen, maar er is nog geen cent uitbetaald. Waarom niet, en hoelang moet het nog duren? Vijf vragen over het coronaherstelfonds.

Wat is er ook alweer afgesproken?

Na een reeks van lange dagen en korte nachten in september en een politieke crisis in november en december bereikten de EU-leiders eind vorig jaar een akkoord over de begroting voor de komende jaren. Onderdeel van het nieuwe EU-budget, een dik gevulde buidel van 1,8 biljoen euro, is het coronaherstelfonds van 750 miljard euro.

Van die driekwart biljoen gaat 672,5 miljard euro naar de lidstaten: 312,5 miljard euro aan subsidies en 360 miljard euro aan 'gunstige' leningen. De leningen worden gunstig genoemd, omdat ze een lange looptijd hebben met lage rentes.

Hoeveel krijgt Nederland hiervan?

Geen honderden miljarden. De landen die de hardste klappen van de coronacrisis hebben gekregen, maken aanspraak op de hoogste subsidies. Zo is voor Spanje het grootste deel van de subsidiepot van 312,5 miljard euro gereserveerd: 69,5 miljard. Spanje wordt op de voet gevolgd door Italië, met 68,9 miljard euro. Samen zijn zij dus goed voor bijna de helft van de subsidies.

Voor Nederland is het een ander verhaal: wij kunnen maximaal 6 miljard euro ontvangen aan subsidies. Dit bedrag kan worden aangevuld met de eerdergenoemde leningen, maar de kans is klein dat daar gebruik van zal worden gemaakt.

Nederland kan op eigen houtje tegen aantrekkelijkere voorwaarden geld ophalen. Demissionair minister van Financiën Wopke Hoekstra krijgt op de kapitaalmarkten namelijk geld toe op leningen, vanwege de negatieve rente op staatsobligaties.

Terug naar het coronaherstelfonds: hoeveel is daar al van uitbetaald?

Niks, nada, noppes. De begroting is afgelopen dinsdag pas goedgekeurd door het Europees Parlement, waarmee de wetgevende procedure in Europa nu officieel is afgerond.

De bal ligt nu bij de lidstaten: zij hebben tot april de tijd om plannen in te dienen bij de Europese Commissie voor hervormingen en investeringsplannen. Daarbij moet je denken aan hervormingen op de arbeidsmarkt of het pensioenstelsel, of investeringen in groene projecten. Frankrijk is bijvoorbeeld van plan om miljarden aan EU-geld in groene waterstof te steken.

Wordt dat geld zomaar overgemaakt?

Nee. Er moeten dus plannen worden ingediend, die op hun beurt weer goedgekeurd moeten worden door de Commissie. In deze plannen moet ten minste 37 procent van het geld worden geïnvesteerd in projecten die de klimaatverandering helpen bestrijden en 20 procent in het digitaliseren van de economie. Onder de laatste noemer valt bijvoorbeeld het moderniseren van de overheid en het bedrijfsleven op IT-gebied.

Achttien lidstaten zouden hun volledige voorstellen inmiddels al naar Brussel hebben gestuurd. Zes zouden slechts schetsen hebben ingediend. Nederland behoort niet tot die 24 landen: Den Haag zal volgens ingewijden van ANP pas na de verkiezingen in maart een herstelplan indienen.

Wanneer kunnen de lidstaten hun eerste cheques verwachten?

Op zijn vroegst in de zomer. De tijdlijn is als volgt: lidstaten hebben tot eind april om hun plannen in te sturen. De Europese Commissie krijgt dan maximaal twee maanden om deze plannen goed te keuren. Bij groen licht buigt de Europese Raad (de lidstaten) zich nog eens over deze plannen. Als zij witte rook geven, dan wordt een deel gestort op de giro van de overheid.

Deze zomer wordt maximaal 13 procent van het totaalbedrag uitbetaald. Nederland kan dus, als er plannen worden ingediend en goedgekeurd, maximaal 780 miljoen euro ontvangen. Na de zomer kunnen lidstaten twee keer per jaar aankloppen bij Brussel als ze meer subsidies willen ontvangen. De Commissie zal dan kijken of een lidstaat voldoet aan de gestelde voorwaarden.