Vorig jaar werkte 13,5 procent van de Nederlandse werknemers soms in de nacht, blijkt dinsdag uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Dat is een lichte afname ten opzichte van 2019, toen het percentage op bijna 15 lag.

In totaal 1,2 miljoen Nederlanders werkten in 2020 weleens tussen 0.00 uur en 6.00 uur; iets meer dan de helft van hen regelmatig, iets minder dan de helft slechts af en toe.

Artsen, mensen in andere zorgberoepen en sociaal werkers zijn het vaakst 's nachts aan de slag, gevolgd door vrachtwagenchauffeurs. Ook kelners en barpersoneel staan hoog in de lijst, maar zij werkten in 2020 wel een stuk minder 's nachts dan in het jaar ervoor, wat natuurlijk alles te maken heeft met de coronamaatregelen.

Ongeveer een op de tien handelt zijn nachtdienst in of bij de eigen woning af, maar veruit de meesten werken dan op locatie. Bijna twee derde van de nachtwerkers heeft een voltijdbaan, wat veel meer is dan bij werkenden overdag (48 procent).

Nederland zat in 2019 boven het EU-gemiddelde (12,8 procent) waar het gaat om nachtwerk. Vooral in Litouwen is nachtwerk met een percentage van 7,8 uitzonderlijk; in Slowakije is het met 21,5 procent juist de gewoonste zaak van de wereld.