De Europese Unie heeft vorig jaar voor het eerst meer stroom opgewekt uit hernieuwbare bronnen dan uit fossiele, blijkt maandag uit een analyse van de onderzoeksorganisaties Agora Energiewende en Ember. Het aandeel duurzame energie was vorig jaar 38 procent en dat van fossiele energie 37 procent. Kernenergie was goed voor de resterende 25 procent.

Het gebruik van zonne- en windenergie liep op naar een kleine 20 procent, het gebruik van kolen ligt nog maar net boven 10 procent.

Volgens het rapport heeft de coronacrisis maar een beperkte invloed gehad. Als de algehele vraag naar stroom vorig jaar niet zo sterk was teruggelopen, was de trend richting duurzame bronnen nog sterker geweest.

De onderzoekers spreken van een mijlpaal in de Europese energietransitie. Ze wijzen er wel op dat die transitie niet snel genoeg gaat om het doel van 55 procent CO2-reductie in 2030 en klimaatneutraliteit in 2050 te halen.

Biomassa wordt tot het segment energie uit hernieuwbare bronnen gerekend. Sommige experts twijfelen over hoe duurzaam deze vorm van energie echt is.

Nederland maakt deel van achterstand goed

Van de afzonderlijke lidstaten haalt Denemarken het grootste aandeel elektriciteit uit de wind en de zon: 61 procent. In Slowakije en Tsjechië ligt dat percentage op nog geen 5 procent.

Nederland wordt in de analyse als grote stijger genoemd. Het aandeel wind- en zonne-energie was hier jarenlang aan de kleine kant, maar liep vorig jaar met maar liefst 40 procent op, vrijwel tot het Europese gemiddelde.

Toch blijft Nederland een van de landen met een relatief groot aandeel fossiele energie, mede doordat - in tegenstelling tot sommige andere EU-lidstaten - kernenergie vrijwel geen aandeel heeft.

Verbetering: In een eerdere versie van dit bericht stond dat de Europese Unie vorig jaar voor het eerst meer energie uit hernieuwbare bronnen heeft opgewekt dan uit fossiele bronnen. Het ging echter specifiek om elektriciteit. De tekst is inmiddels aangepast.