8,5 miljoen Nederlanders zijn in het derde kwartaal op vakantie geweest, ongeveer een kwart minder dan in dezelfde periode vorig jaar. Het aantal vakantiegangers in eigen land lag in de zomermaanden ruim een kwart hoger dan in 2019, het aantal reizigers naar het buitenland juist 60 procent lager. Dat blijkt woensdag uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Daarmee heeft de zomer met name voor de binnenlandse vakantie-industrie enige compensatie gebracht voor het rampzalige tweede kwartaal, waarin de eerste coronagolf viel. Vrijwel niemand ging toen naar het buitenland, maar ook het aantal binnenlandse vakantiegangers lag in het tweede kwartaal 30 procent lager dan een jaar eerder.

Wie in het derde kwartaal op vakantie ging, gaf minder uit. Vakanties in Nederland mochten gemiddeld 189 euro per persoon kosten, wat 35 procent minder is dan de 239 euro in de zomer van 2019. In het buitenland gaf de vakantieganger gemiddeld 526 euro uit, ruim 40 procent minder dan vorig jaar (888 euro).

In die uitgaven is ook een verschuiving te zien: voor de accommodatie trok de vakantieganger afgelopen zomer juist meer uit dan in 2019, vooral binnen Nederland. Gemiddeld kostte het onderkomen hier 160 euro per persoon per vakantie, een kwart meer dan in 2019 (120 euro).

Uitgaven voor horeca vallen vrijwel weg

Bij buitenlandse reizen zat er niet veel verschil in de gemiddelde kosten voor de accommodatie, maar vervoer was gemiddeld wel een stuk goedkoper, vooral doordat veel mensen dichter bij huis bleven. Zowel binnenlandse als buitenlandse vakantiegangers waren daarnaast - al dan niet noodgedwongen - minder kwijt aan zaken als horeca, boodschappen en uitstapjes.

De horeca-uitgaven voor de binnenlandse reiziger lagen gemiddeld op slechts 10 procent van het niveau van 2019. In het buitenland kon de Nederlander op dit vlak al helemaal weinig beginnen: gemiddeld besteedde men in de zomermaanden welgeteld 6 euro in buitenlandse eet- en drinkgelegenheden.