Nederlanders hebben vorig jaar vaker dan ooit hun auto naar de werkplaats gebracht voor een onderhoudsbeurt, keuring of reparatie, blijkt woensdag uit de Aftersales Monitor van de RAI Vereniging. Dit jaar gaat het vanwege de coronacrisis een stuk minder goed met de werkplaatsen, aldus de belangenvereniging voor autofabrikanten en -importeurs.

In totaal zijn personenauto's van particulieren en kleine ondernemers vorig jaar 17,9 miljoen keer naar een werkplaats gebracht. Het gaat om het grootste aantal beurten, keuringen en reparaties sinds de start van de metingen in 2009. Het betekende ook een stijging van 11 procent ten opzichte van het jaar ervoor, toen auto's 16,2 miljoen keer naar de garage zijn gebracht.

De opbrengst van het onderhoud kwam voor de werkplaatsen vorig jaar uit op 3,95 miljard euro. Dat is 8 procent meer dan het jaar ervoor en het hoogste bedrag sinds 2012.

Hoewel het uitgegeven bedrag bij werkplaatsen op het hoogste punt in zeven jaar lag, is het gemiddelde bedrag per keuring, reparatie of onderhoudsbeurt in de laatste jaren fors gedaald. Gemiddeld gaven Nederlanders vorig jaar 461 euro per keer uit, terwijl het tien jaar geleden nog om 670 euro ging. Met name het onderhoud is goedkoper geworden.

Net zoals veel andere sectoren ontkomen de werkplaatsen niet aan de negatieve gevolgen van COVID-19. "De coronacrisis laat diepe sporen na in de mobiliteitsbranche en ook de onderhoudsmarkt wordt niet ontzien", aldus Steven van Eijck van de RAI Vereniging. Omdat het einde van de pandemie nog niet in zicht is, is het nog onduidelijk hoe groot de gevolgen zullen zijn.