Van alle Nederlanders boven de zestien jaar is 14,6 procent te arm om een week per jaar op vakantie te kunnen gaan. Dat blijkt maandag uit cijfers van Eurostat, het statistiekbureau van de Europese Unie.

Het bureau bekeek de financiële situatie van de inwoners van de 27 EU-lidstaten, het Verenigd Koninkrijk, IJsland, Zwitserland en Noorwegen over 2019. Daaruit kwam naar voren dat een op de zeven Nederlanders niet in staat is om een week vakantie te financieren. Dat aantal is ongeveer hetzelfde als in 2018, toen het percentage uitkwam op 14,4 procent.

In 2013 kon bijna een op de vijf Nederlanders niet op vakantie (18,9 procent). Sindsdien daalde dit aantal elk jaar. De toename in 2019 was de eerste stijging in zes jaar. Cijfers over 2020 zijn er nog niet, maar de Europese rekenmeesters verwachten dat de corona-uitbraak de financiële situatie geen goed doet.

Nederland doet het wel beter dan het Europese gemiddelde, dat ligt op 29 procent. Het land met de slechtste score is Roemenië. Meer dan de helft van de Roemenen (54 procent) heeft een te krappe portemonnee om een weekje van huis te kunnen. Griekenland en Kroatië waren de nummers twee en drie, met respectievelijk 49 en 48 procent.

Zweden scoorde het beste. Slechts 10 procent van de inwoners van het Scandinavische land heeft niet genoeg geld om er een week tussenuit te gaan. Nummers twee en drie zijn Denemarken en Luxemburg (beide 11 procent), al gaat het bij Luxemburg om cijfers over 2018. Nederland staat op de tiende plek van de 31 onderzochte landen.

In het onderzoek is aan de deelnemers gevraagd of ze het zich financieel konden veroorloven om met het hele gezin op vakantie te gaan, ongeacht of dit gaat om een luxe vakantie in het buitenland of een weekend kamperen dicht bij huis.