Zaterdag stemt het ledenparlement van de FNV over de invulling van het vorig jaar gesloten pensioenakkoord. Een ja betekent een mijlpaal: daarmee zou een eind komen aan een discussie die ruim een decennium geduurd heeft. Een overzicht.

De houdbaarheid van het pensioenstelsel in Nederland komt goed ter discussie te staan tijdens de financiële crisis van 2008/2009. Waar de dekkingsgraad van de Nederlandse pensioenfondsen decennialang een baken van rotsvaste stabiliteit is geweest, komt die door de val van verschillende banken en financiële instellingen zwaar onder druk. Het besef groeit dat er iets aan het stelsel moet veranderen om het voor de komende generaties betaalbaar te houden.

Toenmalig minister van Sociale Zaken Piet Hein Donner zet de lijnen uit voor een nieuwe werkelijkheid: niet langer is iedere Nederlander er zeker van op zijn 65e te mogen stoppen met werken, dat wordt 67. En in de toekomst moet de pensioenleeftijd mee oplopen met de stijgende levensverwachting. Een slepende discussie met de vakbonden volgt. Die hameren er met name op dat het voor mensen in zware fysieke beroepen een onredelijke eis is om zo lang door te moeten werken.

Over de manier waarop het nieuwe stelsel het eerlijkst kan worden ingevuld wordt jarenlang onderzoek gedaan door instanties als de Sociaal-Economische Raad. Pijnpunt is onder meer de doorsneesystematiek, het gegeven dat iedereen dezelfde premie betaalt, waardoor jonge werknemers onevenredig veel bijdragen aan het pensioen van oudere generaties. Op advies van de SER wordt een systeem uitgedokterd waarbij iedereen zijn eigen pensioenvermogen opbouwt.

Na jaren eindelijk schot in de zaak

Na jaren van discussie en onderzoek komt er onder het in 2017 aangetreden kabinet-Rutte III schot in de zaak. Naar aanleiding van een uitgelekt conceptakkoord loopt de FNV eerst nog weg uit de onderhandelingen, maar uiteindelijk komen de sociale partners dan toch op een lijn.

In juni 2019 presenteert minister Koolmees een akkoord op hoofdlijnen en een paar dagen later geven de vakbonden hun akkoord. De doorsneesystematiek verdwijnt, de AOW-leeftijd stijgt inderdaad mee met de levensverwachting, maar niet een-op-een; ieder jaar dat we langer leven, moeten we acht maanden langer doorwerken. Ook belangrijk: pensioenfondsen mogen hogere risico's nemen en hoeven geen verplichte buffers meer aan te houden.

Invulling van het akkoord op detailniveau

Maar daarmee zijn we er nog niet. Het gaat dus om een akkoord op hoofdlijnen; over de precieze invulling wordt nog flink gesteggeld. Een doorbraak komt in februari met het schrappen van de zogenoemde rekenrente, een fictief rendement waarmee fondsen hun vermogen moeten waarderen. Tegenstanders vinden dit mechanisme een vorm van jezelf arm rekenen: de werkelijke rendementen liggen hoger dan de fictieve.

Nadat deze hobbel is weggewerkt, gooit de coronacrisis nog even roet in het eten. De dekkingsgraden dalen zo hard dat de meeste fondsen te weinig geld in kas hebben om aan hun verplichtingen te voldoen. Minister Koolmees geeft ze een jaar uitstel voordat ze op hun uitkeringen hoeven korten en dat smeermiddel doet wonderen in de onderhandelingen. Op vrijdag 12 juni is er witte rook: een uitgewerkt pensioenakkoord dat wordt voorgelegd aan de leden van de vakbonden en daarna aan de Tweede en Eerste Kamer.

Vakbond CNV gaat er binnen een paar dagen mee akkoord, maar het wachten is nog even op de FNV. Het ledenparlement zou twee weken geleden stemmen, maar dat kon niet doorgaan: te weinig leden waren ingelogd. Zaterdag beter?