De cao-lonen zijn tussen 2014 en 2018 harder gestegen dan de brutolonen, zo blijkt uit een donderdag gepresenteerd onderzoek van het Centraal Planbureau (CPB) en De Nederlandsche Bank (DNB). De onderzoekers wijzen naar minder bonussen, jongere werknemers en meer flexbanen als belangrijkste oorzaken.

Dankzij bonussen en promoties, maar ook door bijvoorbeeld een extra periodiek, kunnen werknemers een hoger brutoloon opstrijken. Het verschil met de jaarlijks afgesproken stijging in cao-akkoorden wordt de incidentele loongroei genoemd. Doordat brutolonen echter zijn achtergebleven bij de cao-lonen tussen 2014 en 2018, werd de groei van het incidentele loon negatief.

Dat is volgens het CPB en DNB opmerkelijk, aangezien er door de krapte op de arbeidsmarkt en de economische groei juist sprake zou moeten zijn van een stijging van de incidentele loongroei. Het omgekeerde was tussen 2014 en 2018 het geval met een jaarlijkse groei van de brutolonen die 0.5 procentpunt lager was dan de cao-loongroei.

Dat is voor het overgrote deel toe te schrijven aan een stijging van het aantal jongere arbeidskrachten en de toename van het aantal flexcontracten. Daarnaast wijzen het CPB en DNB op lagere zogeheten individuele beloningscomponenten, zoals bonussen en promotie.