Het aantal thuiswerkende mensen is in 2019 verder toegenomen, meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) maandag. Vorig jaar werkten 3,5 miljoen Nederlanders (39 procent van alle werkenden) weleens of doorgaans thuis. Daarmee was het aandeel vorig jaar iets groter dan in 2018, toen 37 procent van de werkenden (3,3 miljoen Nederlanders) thuiswerkte.

Het grootste deel van de groep werkt incidenteel thuis: 2,2 miljoen mensen. De overige 1,3 miljoen mensen werken gewoonlijk thuis.

Het aandeel thuiswerkers was het grootst in beroepen als overheidsbestuurder, ICT-manager en beleidsadviseur. In deze beroepsgroepen werkte minstens 87 procent (soms) thuis. Deze beroepen lenen zich goed voor thuiswerken, omdat het gros van dit werk achter een computer kan worden gedaan. Thuiswerk leent zich minder goed voor wie met mensen werkt of met grote machines moet omgaan.

Het CBS schrijft dat het aandeel thuiswerkers in de Randstad het grootst is. In de regio Utrecht was in 2019 het aandeel thuiswerkers het grootst (50 procent). Ook de regio's Groot-Amsterdam, Gooi en Vechtstreek, Haarlem en Den Haag hadden een aandeel van boven de 45 procent. In Noordoost-Groningen en Zuidoost-Drenthe was het aandeel vorig jaar het kleinst.

Naar verwachting zal het percentage thuiswerkers dit jaar een stuk hoger uitvallen. Vanwege de uitbraak van het coronavirus is Nederlanders gevraagd zoveel mogelijk thuis te werken.