Nederland consumeerde in 2018 per inwoners ruim 20 procent minder materialen dan in het jaar 2000. De materiaalconsumptie per inwoner is lager dan het gemiddelde in de Europese Unie (EU) en de zogenoemde grondstofvoetafdruk per inwoner kleiner. Dat meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek vrijdag in de publicatie Circulaire economie in Nederland.

De materiaalconsumptie in Nederland lag tijdens de hele gemeten periode al aanzienlijk lager dan in de buurlanden België en Duitsland en veel andere Europese landen. "Slechts drie landen, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Italië, hadden een lagere materiaalconsumptie", zegt het CBS.

Bij de consumptie van materialen gaat het zowel om grondstoffen als materialen die verwerkt zijn in producten. België consumeerde per inwoner in de periode 2000-2018 maar 6 procent minder materialen. Duitsland nog geen 10 procent.

Materialen zijn onder te verdelen in vier categorieën: biomassa (zoals melk en hout), fossiel (bijvoorbeeld kunststof en benzine), metaal (zoals machines en auto’s) en niet-metaal mineraal (bijvoorbeeld zand en beton).

Relatief klein en dichtbevolkt

De Nederlandse grondstofvoetafdruk - de hoeveelheid grondstoffen die nodig is om halffabricaten en eindproducten te maken - is ook fors kleiner dan gemiddeld in de landen van de Europese Unie.

Dat valt volgens het CBS vooral te verklaren doordat we minder mineralen gebruiken en dat komt weer doordat Nederland een relatief klein en dichtbevolkt land is. "Waardoor per hoofd van de bevolking relatief weinig materiaal nodig is voor de bouw van de infrastructuur, zoals wegen."

Nederland behoort ook tot de Europese kopgroep waar het gaat om recyclen. Alleen in Luxemburg en België wordt meer afval hergebruikt.