Nederlandse mannen brachten in 2018 van alle Europese landen het grootste gedeelte van hun leven werkend door. Zij werkten gemiddeld 42,9 jaar, net zo lang als hun Zweedse evenknie. Dat blijkt uit cijfers van Eurostat, het statistisch bureau van de Europese Unie.

Nederlandse vrouwen werkten zo'n vijf jaar korter dan de mannen. Maar zij zijn wel met een inhaalslag bezig. Het aantal werkende vrouwen nam sinds 2000 met 22 procent toe, voor de mannen was dit 8 procent.

Nederlanders werkten in 2018 gemiddeld 40,5 jaar van hun leven en hebben daarmee op de Zweden na (41,9 jaar) het langste werkende leven van Europa. Het Europese gemiddelde ligt op 36,2 jaar. Dat is 0,3 jaar langer dan in 2017 en 3,3 jaar langer dan in 2000.

Er is een duidelijk verschil tussen het werkende leven van mensen in het oosten en westen van Europa. In Turkije werd het minst aantal jaren gewerkt, zo'n 29,4. Ook onderaan bungelen Italië (31,8 jaar), Kroatië (32,4) en Griekenland (32,9).

Leeftijdsverwachting en pensioenstelsels verschillen

Opvallend is dat de Belgen en Luxemburgers een relatief korter werkend leven hebben dan de omringende landen. Zij werkten respectievelijk 33,2 en 33,5 jaar.

Een mogelijke verklaring zijn de pensioenstelsels en pensioenleeftijden in de verschillende landen. Ook speelt de levensverwachting een grote rol, al is die minder hard toegenomen dan het aantal jaren dat werkend wordt doorgebracht.

In alle landen werken mannen het langst, met uitzondering van Letland en Litouwen. In Letland werkten mannen en vrouwen evenveel en in Litouwen brachten de vrouwen een groter deel van hun leven werkend door.