De Participatiewet heeft nauwelijks geleid tot verhoging van de baankansen voor mensen vanuit een sociale werkplaats of uitkering, zoals beoogd met de wet. Dat concludeert het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) dinsdag in een eindevaluatie van de wet.

De in 2015 geïntroduceerde Participatiewet heeft als doel een inclusieve arbeidsmarkt te creëren. De wet zou het voor werkgevers makkelijker moeten maken om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen.

Maar dat is niet gelukt, stelt het SCP. Voor bijstandsgerechtigden, met zo'n 440.000 mensen de grootste groep die onder de wet valt, is er in de tijd sinds de invoering van de wet nauwelijks iets veranderd.

Voor jonggehandicapten, die voor de Participatiewet nog onder de Wajong-regeling vallen, is de inkomenspositie en stabiliteit zelfs verslechterd. Ze werken namelijk vaker in deeltijd en onder tijdelijke contracten.

Wel stijgt de baankans voor deze groep: voor de invoering van de Participatiewet werkte 29 procent van achttienjarige Wajongers in het derde jaar na instroom, terwijl dat sinds de invoering van de wet voor achttienjarige vergelijkbare jonggehandicapten 38 procent is.

Verkeerde aannames van wet en opstartproblemen bij gemeentes

Het planbureau wijst naar de haalbaarheid en opstartproblemen bij gemeentes als oorzaak van het niet goed werken van de Participatiewet.

Het uitgangspunt van de wet was de gedachte dat mensen die een uitkering ontvangen betaald werk kunnen en willen verrichten. Maar volgens gemeenten was een groot deel van de doelgroep, zo'n 60 procent, echter niet in staat om binnen afzienbare tijd weer te gaan werken. De helft van deze mensen verwacht dat in de toekomst wel te kunnen.

Daarnaast ging het overdragen van de taken van het Rijk naar gemeentes niet van het leien dakje. Gemeenten moesten wennen aan hun nieuwe taak en een nieuwe doelgroep, stelt het SCP. Ook waren werkgevers vaak niet goed op de hoogte van instrumenten die ze konden gebruiken om mensen weer aan het werk te helpen.