Nederland kent verhoudingsgewijs meer mensen die werken als zelfstandige dan provincies net over de grens in buurlanden, blijkt maandag uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in samenwerking met statistiekbureaus in Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen en België.

In 2018 werkte in Nederland 17 procent van de beroepsbevolking als zelfstandige. In de aan Nederland grenzende Duitse deelstaten Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen ligt het percentage zelfstandigen gemiddeld op 9 procent.

Vooral onder laag- en middelbaar opgeleiden is het verschil tussen Nederland en de Duitse deelstaten relatief groot: in Nederland werkt 17 procent van de laag- en middelbaar opgeleide werkenden als zelfstandige, terwijl dit percentage in Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen op 7 ligt.

Onder hoogopgeleiden is het verschil minder groot: waar in Nederland 18 procent van de hoogopgeleide beroepsbevolking zelfstandig werkt, is dat 14 procent in aangrenzende provincies in Duitsland.

België valt tussen Duitse deelstaten en Nederland in

In België werken relatief gezien ook minder mensen als zelfstandigen dan in Nederland. Met 13 procent ligt het aandeel zelfstandigen in België tussen dat van de twee Duitse deelstaten (9 procent) en Nederland (17 procent) in.

Waar het percentage zelfstandigen in Zeeland, Noord-Brabant en Limburg op respectievelijk 20, 17 en 16 procent ligt, ligt dat over de grens iets lager. In West- en Oost-Vlaanderen werkt respectievelijk 16 en 14 procent als zelfstandige, in andere grensprovincies ligt dat percentage lager. Binnen België is ook een verschil te zien: tussen Vlaanderen en Wallonië zit een verschil van 1 procentpunt (13 om 12 procent).

De statistiekbureaus kijken niet naar de redenen achter de verschillen tussen de drie landen.