Huishoudens met lagere inkomens gaan door het klimaatbeleid er meer op achteruit in 2030 dan andere inkomensgroepen, hoewel het soort auto en het energieverbruik al veel kunnen schelen. Als alleen tot 2021 wordt gekeken, zijn mensen met hogere inkomens overigens iets slechter af dan de lagere.

Dit blijkt vrijdag uit de doorrekening van het klimaatbeleid door het Centraal Planbureau (CPB).

De lastenverzwaring van het totale pakket aan maatregelen drukt met een half procent op het bruto binnenlands product (bbp). Daar staat tegenover dat de CO2-uitstoot tegen 2030 flink lager is.

De totale klimaatlasten nemen vooral voor gezinnen en bedrijven toe, met 4,6 miljard euro. De overheidsuitgaven gaan met 3,9 miljard euro omhoog.

De lastenverzwaring is vooral door een hoger tarief op gas en hogere tarieven voor het opslaan van duurzame energie voor bedrijven. Er komt juist een lager tarief voor elektriciteit. Voor bedrijven zijn de lasten in 2030 hoger, voor gezinnen juist lager. Maar de bedrijven rekenen een deel van die hogere lasten wel weer door aan gezinnen.

Zware industrie ontlast

De zware industrie wordt weinig belast, ziet het CPB. Het rekenorgaan verwacht dan ook niet dat veel Nederlandse industrie naar het buitenland zullen wegtrekken. De industriemaatregelen zijn zo vormgegeven dat bedrijven op langere termijn hun CO2-uitstoot terugbrengen en zo de heffing kunnen ontlopen.

Op lange termijn zijn de effecten voor de werkgelegenheid marginaal. De werkgelegenheid zal wel verschuiven, van kolencentrales, landbouw, metaal, consumenten- en voedselproducten naar windmolens en de dienstensector.

De totale lasten van het Klimaatakkoord zijn min of meer gelijk gebleven vergeleken met een eerder gepubliceerde conceptversie in maart