Meer dan de helft van de flexwerkers zit na een jaar nog in de flexibele schil, schrijft het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) donderdag. 54 procent van de 771.000 flexwerkers die in 2016 zijn begonnen, werkte in 2017 nog steeds flexibel of zat korte tijd zonder werk tussen twee flexbanen in.

Hiermee is het aandeel werknemers dat in de flexibele schil blijft hangen tussen 2010 en 2016 gegroeid. In 2010 bleef namelijk nog 46 procent van de flexwerkers hangen in de flexibele schil.

Van de in 2016 instromende flexwerkers, had 14 procent in het jaar erna een vaste
baan. In 2010 lag dat percentage nog iets hoger (14,5 procent). 33 procent had na uitstroom geen werk, bij de groep uit 2016 was dat aandeel met 28 procent wat kleiner.

Flexwerkers die in 2016 in de provincie Utrecht instroomden, hadden in vergelijking met instromers in andere provincies vaker een vaste baan (17 procent). In Limburg was dit percentage het laagst (12 procent). Hier speelt volgens het CBS mee dat Utrecht het grootste aandeel hoogopgeleiden heeft.

In Drenthe zaten de minste flexwerkers een jaar later zonder werk of uitkering (10 procent). Zuid-Holland (15 procent), Noord-Holland en Zeeland (beide 14 procent) hebben de hoogste percentages. Dit verschil is volgens het CBS te verklaren doordat in Drenthe minder mensen met een migratieachterstand wonen, een relatief groter deel in de zorg werkt en juist een kleiner deel in de horeca werkzaam is.