Meer dan 180 woningcorporaties tekenen formeel bezwaar aan tegen de verhuurdersheffing. Deze zou er volgens de corporaties namelijk toe leiden dat corporaties onvoldoende kunnen investeren in nieuwbouw, verduurzaming en het betaalbaar houden van huurprijzen.

Verhuurders met meer dan vijftig huurwoningen betalen in 2019 een heffing van 0,561 procent over de WOZ-waarde van de woningen. Het gaat om woningen met een huur onder de 720,42 euro per maand. De heffing bedraagt dit jaar voor alle corporaties samen zo'n 1,7 miljard euro.

"De verhuurdersheffing staat ons in de weg om te doen waarvoor we opgericht zijn: betaalbare woningen voor iedereen. Dat wij deze extra heffing moeten betalen en verhuurders van vrije sector huurwoningen niet, is op z'n minst merkwaardig", stelt bestuurder Hester van Buren van woningcorporatie Rochdale.

Ook de Woonbond, die zich inzet voor huurders, schaart zich achter het bezwaar. "Het is volstrekt onverantwoord om deze heffing in stand te houden terwijl we midden in een wooncrisis zitten", aldus directeur Paulus Jansen.

Volgens het kabinet moet de financiële bijdrage van verhuurders ervoor zorgen dat de woningmarkt beter functioneert. Ook moeten de opbrengsten van de heffing de nationale schuld verminderen.

De corporaties en de bond stellen echter dat de heffing in strijd is met de Woningwet, waarin staat dat woningcorporaties hun middelen moeten inzetten in het belang van de volkshuisvesting.