Het aantrekken van steeds meer internationale studenten wordt weleens gezien als iets wat alleen maar geld kost en studies minder toegankelijk maakt. Het CPB meldt vandaag echter dat vooral de mensen die van buiten Europa komen per saldo geld opleveren, zeker als ze blijven hangen. Hoe zit dit precies, en wat is de kritiek?

Wat leveren buitenlandse studenten financieel gezien op?

In 2006 kwamen er nog 31.000 buitenlandse studenten naar Nederland. In 2018 waren dat er met 89.955 flink meer, een aandeel van 11,5 procent van de totale studentenpopulatie. De toename hangt samen de trend onder onderwijsbestuurders en overheid om zich te richten op het aantrekken van internationale studenten, aldus het CPB.

Vijf jaar na het afstuderen is nog 10 procent van de hbo- en 15 procent van de wo-studenten uit Europa in Nederland te vinden, vergeleken met respectievelijk 29 en 31 procent van de studenten van buiten Europa.

Het CPB berekende dat een student van buiten de Europese Unie zo'n 160.000 euro kost, maar uiteindelijk rond de 250.000 euro oplevert. Maar ook Europese studenten leveren onder de streep geld op: 16.900 euro om precies te zijn.

De baten komen wel pas na het afstuderen: als de alumni dan in Nederland blijven hangen en hier aan het werk komen en belasting betalen. De kans dat de studenten blijven en arbeidsparticipatie van buitenlandse studenten zijn hiermee bepalend voor het financiële plaatje.

Klinkt goed. Waar gaat de kritiek dan over?

De Landelijke Studentenvakbond (LSVb) liet zich tegenover de Volkskrant kritisch uit over het rapport van het CPB: de focus zou te veel op economisch voordeel liggen, en niet op inhoudelijke voor- of nadelen van de trend. De vakbond stelt dat de toegankelijkheid van studies mogelijk achteruit gaat, wat onder meer zou komen doordat studies steeds meer in het Engels worden aangeboden.

In Nederland zijn inderdaad steeds meer opleidingen die alleen Engelstalig worden aangeboden. In 2017 concludeerde de NOS dat het op universiteiten ging om 20 procent van de bachelors en 70 procent van de masters.

Ook de Vereniging van Universiteiten (Vsnu) bracht vorig jaar in samenwerking met de Vereniging Hogescholen een rapport uit, de Internationaliseringsagenda, over hoe de internationalisering beter aangepakt kan worden.

Waar schiet het precies tekort?

"Wij vinden internationalisering in de basis goed", verduidelijkt Vsnu-woordvoerder Bart Pierik. Het zou positief zijn voor het onderwijs, voor de internationale positie van ons land en voor wetenschappelijk onderzoek. "We zouden het alleen meer willen sturen, en streven ook niet per se naar een grote en aanhoudende groei."

Het Nederlandse stelsel is erg aantrekkelijk voor buitenlandse studenten, met lage collegegelden en een internationaal hoge score van het onderwijs.

Dat gaat soms echter iets te goed, met twee of zelfs drie keer zoveel aanmeldingen als een studie aankan, zegt Pierik. "Dan zouden we graag beperken op de stroom studenten die van buiten de EU komt. Van binnen Europa wordt dat lastiger door regelgeving over het vrije verkeer van personen."

En de studenten die hier wél binnenkomen?

Ook zou de Vsnu graag zien dat er meer wordt gedaan om de buitenlandse studenten die hier eenmaal binnenkomen, te laten blijven plakken. Dat levert immers niet alleen geld op, zoals het CPB constateert, maar kan ook de krapte op bepaalde delen van de arbeidsmarkt iets verlichten.

"De 'blijfkans' moet omhoog", zegt Pierik. Universiteiten en hogescholen proberen dit aan te moedigen door onder meer taalcursussen Nederlands aan te bieden. "Zo hebben studenten een grotere kans op een bijbaan, maar ook om iemand tegen te komen in een cafe."