Woningcorporaties blijven de grootste partij in de huursector van veel van de grote Nederlandse steden, ondanks een forse toename van het aantal huurwoningen in de vrije sector. Gemiddeld is 64 procent van alle huurwoningen in deze gemeenten eigendom van een woningbouwvereniging, meldt de Volkskrant dinsdag op basis van onderzoek in samenwerking met het Kadaster.

Het gaat hierbij om de steden Amsterdam, Arnhem, Breda, Eindhoven, Groningen, Haarlem, Maastricht, Rotterdam, Tilburg en Utrecht.

Den Haag is de uitzondering, omdat daar 45 procent van alle huurhuizen in handen van institutionele beleggers en particuliere vastgoedondernemers is.

De grootste speler in Den Haag is Chris Thünnessen, die bekend werd als een financier van de Lijst Pim Fortuyn (LPF). Thünnessen heeft 2.500 huurwoningen in bezit, waarvan twee derde in Den Haag en Rotterdam staat.

De particuliere belegger Harry Hilders is met zijn 498 huizen in Den Haag ook een grote speler. Hilders heeft ruim 5.500 huurwoningen in Nederland.

'Meer woningen in het middensegment nodig'

In de grote steden is al jaren een tekort aan huurwoningen met een prijs van tussen de 700 en 1.000 euro per maand, schrijft de krant. Een van de manieren waarop is geprobeerd dit probleem op te lossen, is het oprekken van de inkomensgrens.

Dit is volgens emeritus hoogleraar woningmarkt Johan Conijn niet de oplossing. "Het versoepelen van de toewijzingseisen voor corporatiewoningen levert meer vraag op, maar niet meer aanbod." Volgens de hoogleraar moeten er simpelweg meer woningen worden gebouwd.

En daar moeten woningcorporaties een bijdrage aan kunnen leveren, stelt hoogleraar woonbeleid en woningmarkt Marja Elsinga (TU Delft). "Die huizen worden momenteel te weinig gebouwd. Corporaties moeten in dat gat springen."