Het aantal mensen dat niet aan de arbeidsmarkt deelneemt vanwege de zorg voor een gezin of huishouden, is sinds 2008 met bijna een derde afgenomen, meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dinsdag op basis van de Enquête Beroepsbevolking.

In 2008 ging het om in totaal 313.000 mensen, van wie meer dan 97 procent vrouw. Inmiddels is die verdeling een klein beetje gelijker: het totaal komt in 2018 op 223.000 mensen, van wie ruim 94 procent vrouw.

3,8 miljoen mensen in de leeftijd tussen de 15 en 75 jaar behoorden in 2018 niet tot de beroepsbevolking. Mensen die tot deze groep behoren, hebben geen betaald werk, zijn er niet naar op zoek en zijn ook niet beschikbaar om te starten.

Anderhalf miljoen mensen uit deze groep noemen de hoge leeftijd als reden om niet te werken. De 223.000 mensen die vanwege zorgtaken niet werken, nemen 6 procent van de totale groep in.

Redenen om niet meer te werken

Sommige mensen die zorgtaken als reden opgeven om niet te werken, zouden zich eigenlijk wel op de arbeidsmarkt willen begeven; de combinatie van werk en zorg geeft echter een te grote druk, er is geen geschikte betaalde kinderopvang te vinden, of schooltijden sluiten niet goed aan.

Onder de ouders met kinderen in de leeftijd tot dertien jaar gold dit in 2018 voor een groep van twintigduizend mensen; van hen was 86 procent vrouw.

27.000 mensen zeggen dat de zorg voor het gezin of het huishouden een reden is om niet meer uren te gaan werken, terwijl ze dat eigenlijk wel zouden willen. Dergelijke zorgredenen worden vaker door vrouwen (19 procent) dan door mannen (7 procent) genoemd.

Verschillen per opleidingsniveau

Beweegredenen om niet meer uren te gaan werken vanwege zorgtaken, verschillen per opleidingsniveau. Onder lageropgeleiden is slechte aansluiting van schooltijden de belangrijkste reden, terwijl dat bij middelbaar- en hogeropgeleiden vaker de druk om zorg en werk te combineren is.

Gebrek aan geschikte betaalde kinderopvang wordt ook vaker genoemd naarmate de opleiding hoger is.