De gemeente Appingedam mag winkels verbieden om zich aan de rand van de stad te vestigen, oordeelt de Raad van State. Met de uitspraak komt er een einde aan een procedure van zes jaar.

De eigenaar van een pand op de woonboulevard van Appingedam, Visser Vastgoed, wilde een bovenverdieping verhuren aan schoenen- en kledingwinkel Bristol.

De gemeente was hier tegen, omdat het wil voorkomen dat het centrum leegloopt, en heeft in het bestemmingsplan vastgelegd dat de woonboulevard alleen bestemd is voor "grote detailhandel".

Met de uitspraak van de Raad van State mag Appingedam Bristol dus verbieden om het pand van Visser Vastgoed te huren.

Zelfs het Europees Hof boog zich over de zaak

De Raad van State geeft Appingedam nu dus gelijk, maar dat is beslist niet eenvoudig gegaan. De zaak werd zes jaar geleden gestart door de eigenaar van een aantal panden op de woonboulevard, die lege ruimte wilde verhuren aan Bristol.

In 2016 moest ook het Europees Hof van Justitie zich buigen over de zaak, om na te gaan of de aanpak van de gemeente wel in overeenstemming was met Europese regels. Het bestemmingsplan bleek niet in strijd te zijn met de Europese regels, maar de regeling moest dan wel noodzakelijk zijn en niet verder gaan dan nodig.

'Leefbaarheid onder druk'

Daarmee was de zaak nog niet af. Vorig jaar droeg de Raad van State de gemeente nog op om een uitgebreide analyse te maken waaruit zou blijken dat de maatregelen er echt voor zorgen dat het centrum leefbaarder wordt.

Volgens de Raad van State is dat nu, zes jaar later, inderdaad aannemelijk: "Als meer ruimte zou worden geboden voor reguliere detailhandel op het Woonplein, kan dat leiden tot het vertrek van publiekstrekkers in het centrum. De leefbaarheid en vitaliteit van het centrum zou daardoor onder druk komen. "