De investeringsrechtbank die onderdeel is van het CETA-vrijhandelsakkoord tussen de Europese Unie en Canada is niet in strijd met het Europees recht, heeft het Europees Hof van Justitie dinsdag geoordeeld.

In september 2017 vroeg België om een advies van het Hof na verzet van Wallonië en Brussel tegen CETA.

De Belgische overheid wilde weten of het plan voor een zogeheten Investment Court System, een soort rechtbank waar investeerders bij kunnen aankloppen, niet tegen het EU-recht inging.

Maar volgens het Hof is hier geen sprake van. Zo doet CETA geen afbreuk aan de autonomie van de rechtsorde in de Europese Unie, concludeert het Hof.

Zorgen over rechtbanken

Het vrijhandelsakkoord tussen de EU en de Canadese regering werd in 2016 afgerond. Maar doordat het Waalse gewest tegenstemde, liep de goedkeuring van het akkoord door de Europese lidstaten liep vertraging op.

Ook bijvoorbeeld milieuorganisaties en vakbonden vreesden dat investeerders via de rechtbanken schade door nationale wetgeving zouden kunnen verhalen op overheden. Regeringen zouden dan minder snel geneigd zijn om ambitieuze milieu- of arbeidswetgeving in te voeren.

Uiteindelijk ging Wallonië wel met het verdrag akkoord na een extra toevoeging. De Belgische regering vroeg aan het EU-Hof of de investeringsrechtbank wel in overeenstemming was met Europees recht.