Mensen die in de kledingindustrie van Bangladesh werken, draaien op voor de dure veiligheidsmaatregelen die fabrieken hebben getroffen. Ze krijgen lagere lonen en worden uitgebuit, melden vakbondsleiders woensdag.

Het bericht komt zes jaar na de ramp in kledingfabriek Rana Plaza, waarbij meer dan elfhonderd kledingarbeiders om het leven kwamen. Na het instorten van die fabriek werd sterk aangedrongen op veiligheidsmaatregelen.

Maar de merken die hun kleding bij de aangepaste kledingfabrieken laten maken, geven geen geld ter compensatie. De modebedrijven zouden zelfs minder betalen dan voorheen. Daarom leggen fabrieken de rekening bij hun arbeiders.

Modebedrijven blijven aandringen op lage prijzen en snelle productie, waardoor de werkers slecht worden behandeld, concludeert mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch (HRW) in nieuw onderzoek naar de branche. Lonen gaan bijvoorbeeld omlaag of worden laat betaald, pauzes worden ingekort en productietargets gaan omhoog.

'Fabrieken moeten 'nee' leren zeggen tegen lage prijzen'

"Terwijl we veel moesten investeren, gaan de productieprijzen niet omhoog", zegt de leider van fabrieksvereniging Bangladesh Garment Manufacturers and Exporters Association, waarbij ruim vierduizend leden zijn aangesloten.

Fabrieken en vakbonden roepen de merken dan ook op om meer te betalen. Volgens vakbondsleider Kalpona Akter van het Bangladesh Centre for Worker Solidarity zouden fabriekseigenaren daarnaast moeten leren om 'nee' te zeggen tegen merken. Ze accepteren nu telkens lagere prijzen vanwege de hevige onderlinge concurrentiestrijd.

Bangladesh is de op een na grootste kledingexporteur van de wereld. Veel zogenoemde fast fashion-merken, die meerdere collecties per seizoen voeren, laten een deel van hun kleding in het land maken.