In het eerste kwartaal van 2019 stegen de consumentenprijzen met 2,5 procent, terwijl de cao-lonen met 2,2 procent stegen, meldt het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) donderdag.

Sinds het dieptepunt van de recessie, in 2014, kwam het slechts één keer eerder voor dat de prijzen sneller stegen dan de lonen. Dat was in het eerste kwartaal van 2017.

In 2015 en 2016 lag de cao-loonstijging nog ver boven de consumentenprijsstijging, die in die periode niet boven de 1 procent uitkwam.

Als prijzen sneller stijgen dan lonen, betekent dit niet automatisch dat werknemers er in koopkracht op achteruit gaan, stelt het CBS. Het nettoloon is ook afhankelijk van veranderingen in pensioenpremies, sociale verzekeringspremies en loonheffing.

Loonstijging in het onderwijs het laagst

Hoewel in het onderwijs vorig jaar nog de grootste loonstijging te zien was, was dat in de eerste drie maanden van 2019 de beroepsgroep die er het minst bij kreeg. Het ging hier om 1,4 procent. In 2018 werden de lonen van basisschoolleraren nog iets verhoogd om minder te verschillen met het voortgezet onderwijs.

In het eerste kwartaal stegen de lonen in de gesubsidieerde sector het meest, met 2,3 procent. Bij particuliere bedrijven en in de overheidssector waren de toenames respectievelijk 2,2 en 1,8 procent.

Bedrijfstakken in de overige dienstverlening, waar bijvoorbeeld de cao's kappersbedrijf en uitvaartzorg onder vallen, zagen een loonstijging van 3,1 procent.

Loonkosten stijgen sneller

De contractuele loonkosten stijgen al sinds begin 2016 sneller dan de cao-lonen. In het eerste kwartaal van 2019 was de stijging 2,6 procent. Dit komt door de stijging van de bijdragen aan de WW en WAO/WIA-premies. Bij de overheid zorgen de verhoogde pensioenspremies bij het ABP voor een extra loonkostenstijging.

De cijfers van het CBS zijn gebaseerd op 81 procent van de cao's. Bij de bedrijfstakken informatie en communicatie en verhuur en handel van onroerend goed zijn nog onderhandelingen over een akkoord gaande.