Het begrotingsoverschot kwam in 2018 uit op 1,5 procent van het bruto binnenlands product (ruim 11 miljard euro). Het kabinet hield eerder rekening met de helft. Dat komt door hogere belastingen.

Dat meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dinsdag op basis van nieuwe cijfers over de overheidsfinanciën.

De collectieve lastendruk, de optelsom van door de overheid ontvangen belastingen en premies, kwam het afgelopen jaar uit op 38,4 procent van bruto binnenlands product (bbp). Die lastendruk was sinds het begin van deze meetmethode in 1995 nooit hoger.

In totaal stegen de overheidsinkomsten in 2018 met 4,7 procent ten opzichte van het jaar daarvoor, tot 337 miljard euro.

De hogere overheidsinkomsten van het afgelopen jaar kwamen vooral uit de de btw, de winstbelasting en de loon-en inkomstenbelasting.

Ook werd er meer geld opgehaald met onder andere de dividendbelasting, de energiebelasting en belasting van personenauto en motorrijtuigen (BPM). In totaal kon het kabinet in totaal 14 miljard euro meer bijschrijven dan waar aanvankelijk rekening mee werd gehouden.

ING zorgde met een schikking over fraude met het Openbaar Ministerie (OM) voor een eenmalige meevaller van 0,8 miljard euro. Het afbouwen van aardgaswinning zorgde juist voor 0,7 miljard euro lagere opbrengsten dan voorheen.

Overheidsfinanciën verbeteren verder

Dankzij de hogere inkomsten, zien de overheidsfinanciën er wel beter uit. De schuld daalde in 2018 verder tot 52,4 procent (405 miljard euro) van het bbp. Dat is ruim 23.000 euro per inwoner.

Het overheidsoverschot en de -schuld zijn belangrijke indicatoren voor de stand van de overheidsfinanciën. Nederland valt ruim binnen de Europese normen, die een maximaal tekort van 3 procent en een maximale schuld van 60 procent van het bbp voorschrijven. In 2018 behaalde de overheid zelfs een overschot voor het tweede jaar op rij.

De Nederlandse schuld kwam in 2017 onder de Europese bovengrens uit. In 2014 piekte de schuld nog op 67,9 procent.

Uitgaven stijgen sterk door loonkosten en zorg

De overheidsuitgaven namen ook sterk toe, met 4,1 procent, een bedrag van 13 miljard euro. Hiermee kwam het totaal op 326 miljard euro. Sinds 2010 waren de uitgaven juist jarenlang stabiel, tot in 2017 een duidelijke stijging te zien was van 5 miljard euro.

Vooral aan loonkosten en de zorg werd meer uitgegeven. Voor beide werd 2 miljard euro extra uitgetrokken. Ook werd 1,5 miljard euro meer aan de Europese Unie betaald, en werd meer aan internationale samenwerking besteed, zoals de wederopbouw van Sint-Maarten.

Aan de andere kant namen rentelasten verder af, en daalden de bijstands- en werkloosheidsuitkeringen.

Waar landelijk een overschot te zien was, ging het in gemeenten en provincies minder goed, met rode cijfers tot gevolg. Het tekort van de lokale overheid bedroeg 0,7 miljard euro, wat een hoger bedrag is dan een jaar eerder. Door gemeenten en provincies werd meer uitgegeven dan er binnenkwam.

Schuldafname ook door opbrengst rentederivaten

De algehele schuld nam onder meer af door de opbrengst van bijna 5 miljard euro uit rentederivaten, die officieel overigens niet meetellen als inkomsten. De rentederivaten verkleinen de rode cijfers al enkele jaren, wat vooral komt door de vervroegde afwikkeling van derivatencontracten door het ministerie van Financiën.

Ook de verkoop van aandelen kan leiden tot een verlaagde schuld, hoewel dat effect in 2018 klein was.