VOORBURG - In 2003 hadden in Nederland bijna een half miljoen mensen een flexibel arbeidscontract. Dat zijn er iets minder dan een jaar eerder, zo blijkt uit cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek maandag heeft gepubliceerd.

Vooral jongeren hebben vaak geen vast dienstverband maar een flexibel contract.

Van de werkzame beroepsbevolking werkte in 2003 6,6 procent op basis van een flexibel contract. Eenderde van hen waren uitzendkrachten. De overigen werken bijvoorbeeld als oproepkracht of hebben een jaarcontract.

Van de 15- tot 24-jarigen had bijna een kwart een flexibel contract. Dat is bijna viermaal zoveel als gemiddeld. Dit komt volgens het CBS onder meer doordat veel jongeren nog naar school gaan of studeren en een bijbaantje hebben, waarvoor zij geen vast contract krijgen. Ook zijn onder hen veel starters op de arbeidsmarkt en die beginnen vaak met een tijdelijk contract.

In de periode van 1992 tot 1998 steeg het aandeel flexwerkers dat uitmaakte van de werkzame beroepsbevolking gestaag tot ruim 9 procent.

In 1999 werd echter een daling ingezet. Dat kwam onder andere door de invoering van de flexwet en de toegenomen krapte op de arbeidsmarkt. Mensen kregen daardoor de kans om betere arbeidsvoorwaarden te bedingen, zoals een vaste baan. Na 2002 is het aandeel flexwerkers nog maar licht afgenomen.