DEN HAAG - De samenwerking tussen de instanties die werklozen aan een baan moeten helpen, verloopt niet goed. Ze hebben onvoldoende gegevens over de resultaten van bemiddeling en reïntegratie en wisselen die nauwelijks uit. Het is zelfs onduidelijk wat de resultaten van hun activiteiten zijn.

Dat schrijft de Algemene Rekenkamer in het rapport Bemiddeling en Reïntegratie van Werklozen, dat woensdag bekend werd. De Rekenkamer deed onderzoek naar de bemiddeling van mensen met een WW-uitkering.

CWI

Deze mensen komen eerst terecht bij een Centrum voor Werk en Inkomen (CWI). Het CWI kijkt wat de mogelijkheden zijn op de arbeidsmarkt en helpt de WW-ers bij onder meer solliciteren. Als de WW-er na een half jaar nog geen werk heeft, draagt het CWI de cliënt over aan het UWV, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.

UWV

Het UWV zet daarna reïntegratiebedrijven aan het werk om de WW-ers te trainen en bij te scholen. Als de WW-er na negen maanden nog geen baan heeft, volgt een zogeheten reïntegratieproject.

Concurreren

Volgens de Rekenkamer is de samenwerking binnen deze keten gebrekkig en is het niet duidelijk hoeveel mensen dankzij deze instanties een baan vinden. Volgens de Rekenkamer bestaat het risico dat CWI en reïntegratiebedrijven met elkaar gaan concurreren in plaats van samenwerken.