De cao-onderhandelingen voor het middelbaar beroepsonderwijs zijn gestrand, maakte de Algemene Onderwijsbond (AOb) vrijdag bekend.

Volgens de bond worden afspraken over reparatie van de ww, het nieuwe ontslagstelsel en verbeteringen voor medewerkers met flexcontracten door werkgevers op de lange baan geschoven.

Eerder deze maand werd bekend dat leraren op middelbare scholen in november loonsverhoging krijgen, ondanks dat er nog geen nieuwe cao is. Dat was zo afgesproken in het loonakkoord van afgelopen zomer.

De salarissen gaan vanaf 1 januari dit jaar met terugwerkende kracht met 0,8 procent omhoog. Vanaf 1 september stijgt het loon met 1,25 procent.

''Natuurlijk zijn wij voor een loonsverhoging maar wel afgesproken in een volwaardige cao, die over meer gaat dan geld'', stelt AOb. De beloofde loonsverhoging voor 2016 is volgens de bond een ongedekte cheque.

Geen acties

De vakbond bereid vooralsnog geen acties voor, laat een woordvoerder aan NU.nl weten. Zij wachten op de premievaststelling van pensioenfonds ABP eind november. Het fonds heeft al laten weten dat het loonakkoord onuitvoerbaar is.

Dan wordt duidelijk of een deel van de pensioenpremie kan worden gebruikt voor de loonsverhoging die minister van Binnenlandse Zaken Ronald Plasterk heeft beloofd aan het overheidspersoneel. In totaal ligt er voor 2015 en 2016 een loonsverhoging van ruim 5 procent op tafel, waarvan 2,2 procent uit de zogeheten vrijval van de pensioenpremie moet komen.

"Betaalt Plasterk die loonsverhoging uit de schatkist als die vrijval niet door kan gaan? Belofte maakt schuld", aldus de zegsman.

Tegenstander

De FNV, waar de Aob ook bij is aangesloten, is er fel op tegen dat de loonsverhoging voor een deel met pensioengeld wordt betaald.

De vakbond doet daarom niet mee aan de cao-onderhandelingen die over het salaris gaan, maar neemt wel deel aan de gesprekken over andere zaken. Onder de mbo-cao vallen 52.000 werknemers.

Dekkingsgraad

Donderdag werd bekend dat het ABP er financieel niet goed voor staat. Het fonds heeft gemeten over twaalf maanden een gemiddelde dekkingsgraad van 99,7 procent. De toezichthouder eist minimaal 105 procent.

De dekkingsgraad zegt iets over de verhouding van het beschikbare kapitaal en de toekomstige verplichtingen.