De AOW-aanspraken zijn tussen 2008 en 2014 bijna verdubbeld.

Dat meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) maandag.

De AOW-aanspraken zijn de reserves die nu aangehouden moeten worden om in de toekomst alle pensioengerechtigden van een AOW-uitkering te kunnen voorzien, indien de AOW op dezelfde manier gefinancierd zou worden als het aanvullend pensioen.

Op 1 januari 2014 kwamen de aanspraken uit op 1.356 miljard euro. In 2008 bedroegen de AOW-aanspraken nog 797 miljard euro.

Het bedrag van vorig jaar stond gelijk aan 208 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Het bbp is de totale waarde van de goederen en diensten die Nederland in een jaar tijd produceert. 

Aanvullend pensioen

De AOW-aanspraken overtreffen nu ruimschoots die op het aanvullende werknemerspensioen. Die kwamen op dezelfde peildatum uit op 157 procent van het bbp.

Zowel de AOW-aanspraken als die op het aanvullend pensioen zijn de afgelopen jaren snel gestegen. Dit komt deels door de vergrijzing, maar ook de lage rente speelt een grote rol. Hierdoor moet uitgegaan worden van een lager rendement op de opgebouwde reserves en zijn dus hogere reserves nodig.

Fictief

Het CBS heeft de aanspraken op een vergelijkbare manier berekend als een pensioenfonds. Pensioenfondsen houden bij het berekenen bijvoorbeeld rekening met de rentestanden en wat beleggingen op zullen leveren. Maar omdat er voor de AOW bijvoorbeeld geen reserves worden belegd, is het eigenlijk een fictief bedrag.

De AOW wordt elk jaar betaald door werkenden via de premie volksverzekering. De premie wordt ingehouden op het salaris. Als er in een jaar te weinig premies zijn betaald om alle pensioengerechtigden van AOW te kunnen voorzien, dan legt de overheid geld bij.

Richtlijnen

Het CBS heeft de berekening in het kader van Europese richtlijnen gemaakt. De cijfers moeten inzichtelijk maken hoe houdbaar het Nederlandse systeem voor de AOW is.

In 2017 zijn alle EU-landen verplicht een overzicht te geven van alle pensioenaanspraken en pensioenverplichtingen van werkgevers en de overheid. De cijfers van de verschillende lidstaten kunnen dan met elkaar vergeleken worden.