De verschillen tussen eurolanden blijven significant, ondanks jaren van macro-economische aanpassingen en onderlinge afstemming binnen de eurozone.

Dat schrijft kredietbeoordelaar Standard & Poor's maandag in een rapport.

Het bureau schat dat Spanje, Italië, Griekenland en Portugal tegen het einde van dit jaar samen ongeveer 1.850 miljard euro aan buitenlandse schulden hebben. Een decennium eerder ging het nog om een bedrag van 875 miljard euro. Deze vier eurolanden hebben de grootste schulden.

Daar tegenover staan eurolanden die meer in andere landen hebben geïnvesteerd dan andersom. De top drie, bestaande uit Duitsland, Nederland en België, zal eind 2014 zo'n 236 miljard euro op de betalingsbalans hebben staan. In 2004 stond de teller op 343 miljard euro.

In de periode tussen 2004 en 2014 is dit verschil dus groter geworden. De schulden van eurolanden in de 'periferie' zijn gegroeid, terwijl de rijkere landen juist een betere betalingsbalans hebben gekregen.

S&P denkt dat dit het economische herstel in landen zoals Spanje en Griekenland juist kan vertragen. Ook verwacht het kredietbureau dat het een voedingsbodem voor populistische bewegingen oplevert.

Dossier schuldencrisis