Het terughalen van 130 ton Nederlands goud uit de Verenigde Staten naar Amsterdam door De Nederlandsche Bank is een gevoelskwestie.

Dat zegt Sylvester Eijffinger vrijdag, hoogleraar financiële economie aan de universiteit van Tilburg, tegen NU.nl.

"Het is ons goud, dat hoort in onze centrale bank te liggen. Dat is niet alleen een prettig gevoel voor De Nederlandsche Bank, maar ook voor de Nederlanders."

De Nederlandsche Centrale Bank (DNB) maakte vrijdagochtend bekend dat een deel van de Nederlandse goudvoorraad die in New York lag opgeslagen, is teruggehaald naar Amsterdam. DNB wil een evenwichtiger verdeling van het edelmetaal en hoopt daarbij dat het bijdraagt aan een positief vertrouwenseffect bij het publiek.

"Het consumentenvertrouwen zal er niet door worden beïnvloed, het is meer een gevoelskwestie. We hebben de capaciteit om het op te bergen, dan is het ook logisch dat het teruggehaald wordt naar ons land. Zo simpel is het", zegt Eijffinger.

Veiligheid

Een ander, minder waarschijnlijk scenario kan volgens de hoogleraar te maken hebben met de veiligheid. "New York is niet meer zo veilig als het was voor de aanslagen van 11 september 2001. Ik kan me voorstellen dat dat een overweging zou kunnen zijn."

Het Nederlandse goud werd in 1940 naar het buitenland verscheept uit angst dat de nazi's het zouden innemen, dat is voor een deel ook gebeurd. De Duitsers verkochten het Nederlandse goud aan neutrale landen zoals Zwitserland. Een deel daarvan, 74 ton, is nooit teruggekeerd in Nederland.

Na de Tweede Wereldoorlog zorgde de dreiging van de Russen tijdens de Koude Oorlog ervoor dat een deel overzees bleef opgeslagen.

In de nieuwe verdeling ligt 31 procent van het Nederlandse goud nu in Amsterdam, 31 procent in New York, 20 procent in Canada en 18 procent in het Verenigd Koninkrijk. In de oude situatie was dat 11 procent in Nederland en meer dan de helft (51 procent) in de VS. De voorraad in Londen en Ottawa zijn onveranderd gebleven.