Nederland en verschillende andere landen van de G20 moeten meer doen om omkoping door bedrijven in andere landen tegen te gaan. 

Dat zegt de anticorruptiewaakhond Transparency International dinsdag in een rapport over de naleving van de Conventie tegen Omkoping van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

Van de veertig belangrijke exportlanden die het verdrag tussen 2009 en 2012 ondertekenden blijken alleen de Verenigde Staten, Duitsland, Groot-Brittannië en Zwitserland de conventie actief toe te passen, zegt Transparency International.

De conventie uit 1997 verbiedt het betalen van smeergeld om contracten of vergunningen in de wacht te slepen of om belastingen en lokale wetten te ontduiken.

Twintig landen die samen goed zijn voor zo'n 27 procent van de wereldexport, waaronder de G20-lidstaten Japan, Brazilië, Zuid-Korea en Nederland, passen de conventie niet of nauwelijks toe. Door nog eens tien landen is de toepassing beperkt, zegt de waakhond.

Export

Exportbedrijven voeren volgens Transparency International vaak aan dat omkoping in andere landen vaak de gebruikelijke manier is om zaken te doen.

Zij gaan voorbij aan de schade die landen en hun bevolkingen hierdoor lijden, maar ook aan de schade in hun eigen landen, door verstoring van binnenlandse markten en de verminderde concurrentiekracht van de omkopende bedrijven.

Vragen

Transparency International verbaast zich er over dat sommige landen die de conventie niet of nauwelijks toepassen, zelf hoog staan op de jaarlijkse index van landen waar weinig corruptie bestaat.

"Het roept vragen op wanneer landen die zelf zo veel baat hebben gehad van het lange proces om een sterke cultuur van transparantie in openbare instellingen op te bouwen, zo weinig doen om te verzekeren dat andere landen van dezelfde voordelen kunnen profiteren", stelt de organisatie.