AMSTERDAM - Een op de tien huishoudens kon in 2002 naar eigen zeggen moeilijk rondkomen, bijna 700.000 huishoudens. Dat aantal is voor het eerst sinds 1996 gestegen. Vooral eenoudergezinnen hebben het vaak moeilijk. Binnen de Europese Unie vallen de problemen in Nederland desondanks relatief mee. Dat meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek maandag.

Huishoudens hebben steeds meer inkomen nodig om rond te kunnen komen. Het inkomen dat minimaal noodzakelijk wordt geacht is sinds 1995 met bijna 18 procent toegenomen. In 1995 bedroeg het minimale benodigde huishoudeninkomen nog bijna 11.000 euro, in 2002 was dat bijna 13.000 euro. Gemiddeld wordt daarmee 70 procent van het netto-inkomen als minimaal noodzakelijk beschouwd.

Paren zonder kinderen hadden de minste moeite met rondkomen. Alleenstaanden en eenoudergezinnen hadden veel moeite om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen. Dat komt doordat deze huishoudens gemiddeld minder inkomen hebben en minder eigen vermogen achter de hand hebben.

Samen met het Verenigd Koninkrijk en Luxemburg telt Nederland het laagte aantal huishoudens dat moeite heeft om rond te komen. Portugese en Griekse huishoudens zeggen de grootste financiële krapte te hebben.