PARIJS - Kredietbeoordelaar S&P heeft dinsdag de kredietwaardigheid van Portugal en Griekenland lager beoordeeld. De waardering voor Griekenland werd met twee stappen verlaagd, die van Portugal met één.

Door een lagere beoordeling kan de rente die landen op staatsleningen moeten betalen, oplopen.

S&P verklaarde dat het besluit de kredietwaardigheid te verlagen is ingegeven door bezorgdheid over de voorwaarden waarop landen een beroep kunnen doen op het Europese noodfonds. Die kunnen volgens de beoordelaar nadelig zijn voor crediteuren.

Herstructurering van de staatsschuld kan een van de voorwaarden zijn. Dat kan betekenen dat investeerders langer op hun geld moeten wachten of een deel van de lening die zij hebben verstrekt niet terugkrijgen.

Ontslag

Vorige week schroefde S&P het oordeel over de Portugese kredietwaardigheid al met twee treden terug. Dat gebeurde nadat premier José Socrates zijn ontslag had aangeboden omdat het parlement zijn jongste bezuinigingsmaatregelen niet wilde goedkeuren.

Zowel Portugal als Griekenland verkeren in een moeilijke financiële situatie en hebben te kampen met grote overheidstekorten. De Portugese centrale bank maakte dinsdag bekend voor dit jaar een economische krimp van 1,4 procent te verwachten.

De krimpende economie brengt de staatsinkomsten nog verder omlaag. Waarnemers denken dan ook dat het er niet aan ontkomt hulp te vragen aan de Europese Unie en het Internationaal Monetair Fonds (IMF).