DEN HAAG - Een grote mate van zekerheid over waardevaste pensioenen tegen een stevige prijs, of veel minder garantie over de uiteindelijke oudedagsvoorziening die stukken goedkoper is. Dat zijn de twee uiterste waartussen diverse vormen van zekerheid over de toekomstige pensioenen mogelijk zijn.

Dat staat in een tussenrapport dat het Centraal Planbureau (CPB), De Nederlandsche Bank (DNB) en de Pensioen- en Verzekeringskamer (PVK) maandag aan staatssecretaris Rutte van Sociale Zaken heeft gestuurd. In het stuk staat verder aangegeven wat de gevolgen zijn bij welke mate van zekerheid.

Een praktisch gegarandeerd pensioen waarbij de uitkering elk jaar aan de loon- of prijsontwikkeling wordt aangepast, vergt fikse premieverhogingen. "Met grote nadelige gevolgen voor de Nederlandse economie." Welke mate van zekerheid uiteindelijk wordt gekozen, is onderwerp van overleg tussen Rutte en sociale partners in de Stichting van de Arbeid (STAR).

Te duur

Werkgevers en vakbonden hebben deze zomer al aangegeven niet vast te willen houden aan een pensioenzekerheid van bijna 100 procent. Dat zou te duur worden.

Het kabinet streeft naar een nieuwe pensioenwet in 2006. Daarbij moet ook het zogeheten Financieel Toetsingskader (FTK) van kracht worden. In het FTK bepaalt de overheid, veel nadrukkelijker dan voorheen, de voorwaarden waaraan pensioenfondsen moeten voldoen.

Het FTK is een van de voornaamste onderdelen van de nieuwe pensioenwet die in 2006 van kracht wordt. De huidige pensioenwet dateert van 1952. Daarin is minder duidelijk omschreven aan welke eisen pensioenfondsen zich dienen te houden.