DEN HAAG - Nederland had de overname en opdeling van ABN Amro door drie buitenlandse banken nooit mogen toestaan. Dat zei de voormalige bestuursvoorzitter Rijkman Groenink, die een hoofdrol speelde in de overnamestrijd om de bank, woensdag tegen de parlementaire commissie-De Wit, die de kredietcrisis onderzoekt.

Achteraf gezien vindt Groenink dat hij had moeten opstappen.

ABN Amro wilde samengaan met de Britse bank Barclays. Maar er werd ook een ''bizar hoog'' bod uitgebracht door Fortis, Royal Bank of Scotland en Banco Santander.

Groenink verwijt De Nederlandsche Bank (DNB) en het ministerie van Financiën dat zij aan het consortium een zogenoemde verklaring van geen bezwaar gaven, ofwel het groene licht voor de overname.

Risico's

Ze hadden volgens Groenink tegen het trio moeten zeggen dat de risico's van een overname onaanvaardbaar waren. ''Fortis werd niet geacht sterk genoeg te zijn. Ik heb dat ook gemeld'', aldus Groenink.

Hij vindt dat Nederland al voordat er een formeel proces werd ingegaan voor de overname, de weg had moeten blokkeren.

Staatssteun

Dat Nederland dit niet aandurfde, is ze duur komen te staan, zei Groenink. Als ABN Amro was samengegaan met Barclays, had Nederland zich de 30 miljard euro aan staatssteun kunnen besparen.

Volgens Groenink had ABN Amro, mede door de verkoop van het Amerikaanse onderdeel LaSalle, een ''ongelooflijk hoge solvabiliteit''.

Aftreden

Groenink vocht tegen de opdeling, maar dat mocht niet baten. Hij vindt nu dat hij vroegtijdig zijn conclusies had moeten trekken.

''In het voorjaar van 2007 had ik moeten aftreden. Ik had moeten zeggen: ik neem er geen verantwoordelijkheid voor dat de bank wordt overgenomen door het trio.''

Lees alles over het onderzoek naar de kredietcrisis op NUzakelijk

Groenink bij commissie-De Wit