DEN HAAG - Drie op de tien land- en tuinbouwbedrijven in Nederland zijn te klein om een agrariër een fatsoenlijke boterham te laten verdienen, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Het gaat om 22.000 kleine boerenbedrijven. Uit de cijfers wordt niet duidelijk in hoeverre het gaat om mensen die noodgedwongen hun bedrijf zullen moeten beëindigen, of om mensen die voor hun levensonderhoud niet op de boerderij zijn aangewezen, onder wie ''hobbyboeren''.

Het CBS gaat bij bij veehouderijen uit van grootte-eenheden. Bij marginale veehouderijen ligt de grens bij zeventien koeien of zestien paarden. Bij akkerbouwbedrijven op kleigrond kan het gaan om een oppervlakte van 6,6 hectare aan pootaardappelen.

Landbouwgrond

De cijfers houden in, dat 30 procent van de land- en tuinbouwbedrijven goed zijn voor niet meer dan 2,7 procent van de landbouwproductie. De kleine boerenbedrijven gebruiken 8 procent van de landbouwgrond en dat is vergelijkbaar met het totale landbouwareaal van Drenthe.

Op de kleine bedrijven lopen naar verhouding veel schapen en paarden rond.