DEN HAAG - De pensioenleeftijd moet op termijn naar zeventig jaar. Pas dan kunnen werknemers genieten van een voltijdspensioen. Tot die tijd moeten ouderen de kans krijgen op de werkvloer gas terug te nemen. Dat stelt de econoom Lans Bovenberg in het jongste nummer van Verzekerd!, het magazine van het Verbond van Verzekeraars.

Het pensioen voor de zeventigjarigen zou 70 procent van het gemiddelde salaris moeten zijn. Op zestigjarige leeftijd een middelloonpensioen van 70 procent is te duur volgens Bovenberg, die eerder dit jaar de Spinozaprijs won. De econoom wil de financiële ruimte die met de verhoging van de pensioenleeftijd ontstaat, gebruiken voor de levensloopregeling.

Bovenberg vindt ook dat jongeren eerder moeten gaan sparen voor hun pensioen. Dat zou gecombineerd kunnen worden met de levensloopregeling. Jongeren zouden al op hun achttiende geld opzij moeten leggen. Dat spaargeld zouden ze kunnen aanspreken voor hun gezin als ze in deeltijd willen gaan werken, of als ze op latere leeftijd voor deeltijdpensioen kiezen.

Vanaf volgend jaar maakt het kabinet verschillende vormen van verlofsparen mogelijk in een levensloopregeling. Daarvoor kunnen werknemers elk jaar maximaal 12 procent van het bruto-inkomen opzij leggen. Het Verbond van Verzekeraars is een groot voorstander van deeltijdpensioen in de levensloopregeling. Verzekeraars willen producten op dit gebied aan de man brengen.

Bovenberg vindt het raar dat de vergrijzing door de hogere levensverwachting als een probleem wordt gezien. "Het is toch alleen maar fijn dat we zo lang leven?" Het probleem zit volgens de econoom, die doceert aan de Universiteit van Tilburg (UVT), vooral in het "strikt vasthouden aan die arbitraire leeftijd van jaar".