DEN HAAG - De verhoging van de pensioenpremie door het pensioenfonds ABP kost de werkgevers in de overheid en het onderwijs dit jaar 160 miljoen euro.

Volgend jaar zijn de extra kosten 670 miljoen, waarvan 450 miljoen voor rekening van de werkgevers komt en de overige 220 miljoen door de werknemers moet worden opgebracht.

Dit heeft het Verbond Sectorwerkgevers Overheid dinsdag gemeld. Eerder kwam het VSO voor dit jaar nog uit op een tegenvaller van 135 miljoen euro. Maar hetvalt nog hoger uit, laat het VSO weten.

Cao-onderhandelingen

De premieverhoging zet cao-onderhandelingen onder druk. Zo lopen er bijvoorbeeld onderhandelingen over een nieuwe cao voor de 185.000 gemeenteambtenaren.

''In deze sector moet binnen het huidige budget 130 miljoen euro extra worden opgevangen'', aldus het VSO.

Pensioenpremie

ABP verhoogt de pensioenpremie per 1 juli van dit jaar met 1 procent en per 1 januari 2010 met nog eens 2 procent. Dat is nodig om de dekkingsgraad van het fonds te herstellen.

Dat is nodig, erkent ook het VSO. Maar in plaats van een premiestijging ziet de organisatie liever een aanpassing van de pensioenregeling.

Pensioenregeling

Volgens de werkgeversorganisatie werken steeds meer werknemers bij de overheid door tot vlak voor hun 65e jaar. De pensioenregeling is erop gericht dat zij op 63-jarige leeftijd met pensioen kunnen.

''Als iedereen tot zijn 65e zou doorwerken, houdt men met een betaalbare regeling nog altijd een uitstekend pensioen'', stelt Hugo Levie, pensioenonderhandelaar van het VSO.

De werkgevers willen in de zomer met de vakbonden overleggen over deze kwestie.