DEN HAAG - De luchtvaartbranche zet het verzet tegen de vliegtax door. De rechtbank in Den Haag behandelde woensdag het kort geding dat de luchthavens Schiphol en Maastricht, de bedrijven Ryanair en Corendon en de brancheorganisaties Barin (luchtvaartmaatschappijen) en ANVR (toerisme) hebben aangespannen tegen de Nederlandse Staat.

Met ingang van 1 juli geldt de belasting op vliegen. Die bedraagt 11,25 euro per ticket op vluchten tot 2500 kilometer. Wie verder weg vliegt, betaalt 45 euro per persoon.

De nieuwe belasting is volgens de eisende partijen, vertegenwoordigd door een batterij advocaten, in strijd met belangrijke internationale luchtvaartverdragen en Europees recht.

Schade

De raadslieden stelden verder dat de luchtvaartsector en de toerismebranche grote financiële schade oplopen door de vliegtax, die dit jaar circa 350 miljoen euro oplevert voor de schatkist. Ze wezen op de hevige concurrentie van luchthavens vlak over de grens in Duitsland en België.

Gezinnen die via deze vliegvelden naar hun vakantieadres gaan, kunnen honderden euro's goedkoper uit zijn. De advocaten meldden ook dat er al luchtvaartmaatschappijen zijn die stoppen met vliegen vanaf Nederlandse luchthavens.

Een advocaat noemde het voorbeeld van een gezin van vier personen dat naar Antalya in Turkije gaat. "Als ze voor 1 juli vliegen, zou 800 euro voldoende zijn. Na die datum kost het 180 euro meer."

Afname

De luchthavens in Nederland houden rekening met een afname van het aantal reizigers met 10 procent als gevolg van de vliegbelasting. Ook hebben ze grote bezwaren tegen de toegenomen administratieve lasten als gevolg van de invoering van de vliegtax.

De advocaat van de Staat is het niet eens met de kritiek. Volgens hem is de tickettax niet strijdig met internationale luchtvaartverdragen of Europees recht. "De verdragen laten wel degelijk ruimte voor vliegbelasting", aldus de raadsman. Hij wees erop dat Frankrijk en Groot-Brittannië ook al vliegtax heffen.