WASHINGTON - De longziekte SARS brengt de economie in Oost-Azië dit jaar een schade toe van zeker 15 miljard dollar. Het sterkst getroffen wordt de dienstensector, met daarin het toerisme, de zakenreizen, het transport en de detailhandel.

Hongkong, Singapore en Taiwan krijgen de hardste klappen. Dat heeft Jemal-ud-din Kassum, vice-president van de Wereldbank, donderdag gezegd. Volgens hem zijn de uitwerkingen van SARS vrijwel volledig het gevolg van de angst onder de bevolking. Kassum pleit dan ook voor grote openheid in de getroffen landen om de economische schade zo klein mogelijk te kunnen houden.

De Wereldbank heeft een tussentijds aangepast rapport gepubliceerd over de landen in Oost-Azië. De ziekte SARS en de gevolgen van de oorlog in Irak resulteren in een afname van de groei in de regio. De ontwikkelingsbank gaat er nu vanuit dat de economische groei dit jaar uitkomt op 5 procent. In een eerdere prognose noemde zij een percentage van ruim 6.

Vorig jaar bedroeg de groei 5,8 procent. Dat was een stuk meer dan de 3,5 procent die in 2001 werd gemeten, toen Oost-Azië opkrabbelde uit een grote financiële crisis. Dat de groei dit jaar achterblijft, is ook voor een deel toe te schrijven aan de trage opleving van de wereldeconomie.

Voor China, een van de landen die het hardst door SARS is getroffen, gaat de Wereldbank voor dit jaar nog wel uit van een stevige economische groei van 7,2 procent. China houdt zo de exportmogelijkheden van andere landen in Azië in stand. De groei is wel minder dan de 8 procent waarop de Chinese economie in 2002 uitkwam.